Bootcamp
door Philip Testas
Na het succes van m’n eerste boek “Jack Levit: Sla munt uit je kruis”, ging ik voor een paar dagen op bezoek bij Robert van Splunteren, de beroemde oorlogsverslaggever en auteur, die mij als schrijver had ontdekt. We zouden werken aan m’n nieuwe boek “Rotjood” en ons ook nog een beetje vermaken.
Nog geen halfuur nadat ik het houten huis van Robert, dat in de Koneinenvallei ligt, ergens in een barre uithoek van de Algarve, had betreden, zat ik al aan de dope. Het kon bijna niet sneller, werkelijk alles zat mee. Nog geen vijf uur van huis, onder de beschermende vleugels van Chellie vandaan. En ik was al stoned.Ik hoorde Chellie’s stem. Nee, daar wilde ik nu niet aan denken.
Die avond hadden we veel gepraat en gelachen. Robert liet zien hoe je een manuscript redigireert, als voorbeeld nam hij de laatste roman van Gerrit Komrij: “De Loopjongen.”
“Met grote stappen liep Arend naar de paal, ze noemden hem niet voor niets de Kievit…”
De eerste regel van het boek. (check eerste regel!!) Van Splunteren had zich voor deze gelegenheid de stem van een geexalteerde literatuurwetenschapper aangemeten en liep met vreemde, verende passen door de kamer, waarin een blind paard geen kwaad zou kunnen doen, drie grote honden waren meer dan genoeg.
Die Arend doet me aan Kees de jongen denken, ook zo’n type dat denkt dat iedereen het over hém heeft. Dat ken ik, dat heb ik zelf ook. Als je langs mensen loopt dat ze dan zeggen, zachtjes tegen de ander, met zo’n stootje in de zij, kijk, kijk, daar loopt íe, die jood. Net zoals bij een neger, kent u dat?
Het werd laat. De plastic fles met vijf liter rode wijn verdween als sneeuw voor de zon. ‘s Nachts stak er een heftige storm op, het houten huisje kraakte klagend met de windvlagen mee.
Tegen de grote houten kamer aan waren 2 caravans geplaatst, in een van de twee sliep ik.
De volgende morgen stormde het nog steeds. Niet zo’n klein beetje ook. Maar de zon scheen en de lucht was felblauw en buiten rook het heel apart. Dat bleken de 6 zwarte varkens te zijn, die aan de overkant van het zandpad woonden, waaraan Robert’s hut stond.
We zaten net aan het onbijt, ere wie ere toekomt, Robert had er iets feestelijks van gemaakt, lekkere sterke koffie, croissants, zacht gekookt eitje, the works, toen m’n telefoon afging, een sms van Chellie: Gerrit is dood.
We keken allebei naar het opengeslagen boek dat nog op tafel lag.
Die van Splunteren dat is me er een. Met een brein dat veel te snel voor ‘m gaat. Een Volkswagentje met een Formule 1 motor. Een gulle gastheer met een groot gevoel voor literatuur. Het was fascinerend om te zien hoe hij met m’n manuscript te keer ging. Wacht, ik zal u een voorbeeld geven.
Dit is een fragment voordat hij het hij onderhanden nam .
“Hier kun je rustig je hele klokkenspel van links naar rechts halen en jezelf genotzuchtig bevoelen zonder dat er ook maar iemand aanstoot aan neemt.
Ik heb het laatst zelf ook eens geprobeerd. Bij Pepita, dat lekkere, kleine dikkertje met die slome, veelbelovende oogopslag uit de tienda op de Plaza Galego. Wat denk je ? Niks ! Géén klap op m’n neus, nee hoor, ze vertrok geen spier, alhoewel ik toch flink aan m’n jongeheer stond te sjorren terwijl ik om een halfje bruin vroeg.
Volgens mij heeft het met de hitte te maken. Reken maar dat dát gaat broeien onder al die voorhuiden”.
En nu het eindresultaat nadat Robert er met zijn fileermes overheen is gegaan.
“Hier kun je rustig je klokkenspel van links naar rechts sjorren en jezelf bevoelen zonder dat er iemand aanstoot aan neemt.
Ik heb het laatst zelf ook eens geprobeerd. Bij Pepita, dat geile, dikkertje uit de tienda op de Plaza Galego. Wat denk je ? Niks ! Géén klap op m’n neus, nee hoor, ze vertrok geen spier. “Nog iets anders dan een pak vla, meneer,” vroeg ze.
Het komt door de hitte.
Reken maar dat het broeit onder al die voorhuiden”.
Voilá, zo gaat dat in de literatuur. Alleen begrijp ik niet waarom een halfje bruin niet kan. We eten namelijk nóóit vla.
“Jack, jongen, jij bent een goeie schrijver,” zei hij, “maar dat archaische gedoe moet er uit.”
We waren in die paar dagen lekker opgeschoten. Bij het afscheid kreeg ik nog een paar goeie tips mee. “Denk er aan”, zei Robert, “niet met dichtgeknepen billen schrijven , zoek de pijngrens op en wat het boek betreft : meer oorlog en drugs.”
Bekaf kwam ik thuis. Met een opgezwollen en pijnlijke knie, het resultaat van vreselijke wandeltochten in de brandende zon. Omdat Robert geen auto kan rijden en ongeveer 8 km van het dichstbijzijnde dorp woonde verplaatsten we ons te voet. Ik denk niet dat ik het lang had volgehouden bij die dodenmarsen aan het eind van de oorlog, hooguit 18km, misschien.
De volgende morgen vroeg Chellie me of ik nog gerookt had. Meestal antwoord ik daar ontkennend op. Dat scheelt een hoop ongemak en ruzie. “Ja zeker”, hoorde ik mezelf zeggen, “en ook nog flink geblowed”.
Het bleef een paar seconden still en toen explodeerde Chellie spectaculair. Welkom op de pijngrens.



Hier kan zelfs Van Splunteren niks aan verbeteren. Alleen: wie is die tragische held op de foto?
Whats in a name… to turn the stone who know where the time goes …. …. Blaridorp revisited…vrij naar Fritzi…..